|
Welkom,
Gasten
|
|
De spin zit in zijn web in Luik
en voelt nu vlinders in zijn buik, want in een web iets verderop verschijnt een knappe spinnenkop, gestoken op het geelbruin lijf van o zo’n sierlijk spinnenwijf. Hij spint een extra fijne draad en weet dat zij hem gadeslaat. Geen zee is hem nu nog te hoog. Hij pinkt naar haar met ieder oog en hoopt dat zij eens naar hem lacht, terwijl hij nijver verder ragt. Hij demonstreert zijn evenwicht, het lijf op één poot opgericht. Dat beurt voor beurt op alle acht, een staaltje van beheerste kracht. Hij toont haar dan een vliegenlijk, het grootste uit zijn schimmenrijk. Het kruisspinvrouwtje evenwel beziet zijn druistig ‘show don’t tell’. Zij gaapt en kijkt nogal blasé en denkt: Wat moet ik daar nu mee? Zij is die aandacht wel gewend en valt niet zomaar voor een vent. Zij is een echte polyglot, niet eentje die je gauw bedot. Zij kent het wereldwijde web en gaat slechts voor de volle mep. Nou ja, zo’n ventje, leuk wel hoor, maar ach, wat koopt ze daar nu voor? Zij stamt uit een notabel nest, gewend aan slechts het allerbest. Zij vindt die spinnenman wat sneu, hij past niet goed in haar milieu. En dat gedrag, zo ondermaats! Dat heeft totaal niets delicaats. Maar ja, dat grootkruis op zijn rug vergeet ze waarlijk niet zo vlug. Zijn poten zijn ook fraai geleed en wat te denken van zijn kleed? Ze kijkt het toch nog even aan, een afspraak heeft ze toch niet staan. De spinnenkerel ruikt een kans en vraagt haar nu ten spinnendans. De tarantella kent hij goed, hij knielt voor haar vol overmoed. ‘Nou ja’, zegt zij, ‘vooruit dan maar. Eén dansje vind ik geen bezwaar.’ Hij is bepaald geen twijfelkont en spint haar zwierend in het rond. Hij denkt: Wat fijn dat ik haar heb. Ik voel mij als een spin in ’t web. Nu straks een ‘ragtime’ tot besluit, dan wordt zij vast mijn spinnenbruid. Zij vindt het toch wel heel erg fijn om dicht bij deze vent te zijn. Hij danst zo heerlijk, kijkt zo blij. Ze laat hem nu wat dichterbij. De jongste is zij ook niet meer en moeder worden moet een keer. De spin kan zijn geluk niet op, een grijns verbreedt zijn mooie kop. Hij staat nu alleszins paraat en deponeert zijn kostbaar zaad voorzichtig in de juiste voor en gaat er als een haas vandoor. Want tot zijn grenzeloos verdriet: kalm nagenieten gaat nu niet. Hij redt zich dus het vege lijf door weg te vluchten van dit wijf, want op ‘de daad’ volgt vaak een moord, het was ook dit keer kantje boord. Maar in het najaar keert hij weer en zoekt hun vrijplaats van weleer. Hij sluipt en spiedt als een spion en zo ontdekt hij een cocon, daarin zijn gelig glanzend kroost en dat is toch een hele troost. Hij denkt: Dat was bepaald niet slecht, zo’n duizend eitjes zijn gelegd. Die zitten nu nog op een kluit, maar komen in het voorjaar uit. En hij beseft vlak voor hij sneeft: Ik heb toch niet voor niets geleefd. Met dank aan Niels Blomberg voor zijn kritische lezing van de eerste versie van dit gedicht. |
|
Laatst bewerkt: 30 mrt 2025 12:21 door Han Marinus.
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.
|