In Naarden pocht een nachtegaal:
Ik zing het mooist van allemaal
Ik gaf ook kapitalen uit
Aan zangles voor mijn fraai gefluit
Zo niet mijn broer, dat is een krent
Die heeft een fluitje van een cent
Sixtijn! Je doet me denken aan mijn vormsel! Er zit een zalving in jouw zin Een puurheid in jouw geest Iets kostelijks ook, meest Al dacht ik toen al, niettemin: Wat rijmt er nou in godsnaam toch op ormsel?