Asperges zijn bekend als Limburgs Goud.
Met ham en boterjus, dat wordt dus smullen.
(“Uw glas, zal ik het snel nog even vullen
Gewürztraminer, koeltjes, maar niet koud?”)

In’t voorjaar zagen wij ze steady groeien,
In heuvels, in zo’n wafeltjes-patroon.
En opa, neef en Pool liepen gewoon
Des ochtends vroeg met steekmesjes te stoeien.

Nu zien wij ’t loof met witte bloempjes bloeien.
De blaadjes zijn zo teer, zo heel ragfijn.
(’t Loof siert een bos chrysanten of jasmijn)
Een onderwerp dat ons toch flink kan boeien!

Maar wie de besjes eet, die maakt een fout!
Creperen zul je en uiteindelijk sterven,
In elk geval veel levensjaren derven,
Dat hebben heel veel lieden al berouwd!

Asperges zijn bekend als Limburgs Goud.
In’t voorjaar zagen wij ze steady groeien,
Nu zien wij ’t loof met witte bloempjes bloeien.
Maar wie de besjes eet, die maakt een fout!

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Scheveningse tram

Tram
Wikimedia.Commons
 
Daar komt hij zwaar van ouderdom
Statig en traag het hoekje om
Van dromen en herinneringen
Hij belt, hij ziet me heus wel staan
Z’n open wagen achteraan
De zomertram van Scheveningen
 
En kijk, ik ben weer onverwacht
Een jongen van een jaar of acht
En voel me rijk en hou van hem
Die feestelijke gele tram
 
Daar rijdt hij haastig voor z’n doen
De stad uit onder wuivend groen
Ik stel mij ongeduldig voor
Dat ik ver weg de zee al hoor
Als we de Parkstraat in gaan draaien
Maar bij de Frankenslag begint
Er toch pas echt een koele wind
Over de hoofden heen te waaien
 
Nu krijgt de wagen vleugels en
Ik weet dat ik er bijna ben
Omdat de motor hoog gaat zingen
En dan draait hij het Zeeplein op
Met al z’n vlaggetjes in top
De zomertram van Scheveningen
 
M’n vader heeft een wandelstok
M’n moeder draagt een witte rok
En ‘t ezeltje waarop ik rijd
Is aardig en neemt alle tijd
 
Tussen de planken van de Pier
Zit er bij elke stap een kier
Waardoor je of je wilt of niet
Beneden je de golven ziet
Die groen en woest elkaar begraven
Een man met baard knipt m’n portret
Een zwart en krullend silhouet
Een schuit gaat fluitend naar de haven
 
Het strand maakt vrolijk, licht en blij
De dag gaat veel te vlug voorbij
In flitsen en in schitteringen
En al die tijd in ’t hemels blauw
Wacht boven in de verte trouw
De zomertram van Scheveningen
 
Ik zit weer op wat glimmend hout
De richelvloer ligt vol met goud
Van 't laatste afgeschudde zout
En ik hou m’n schelp in m’n hand
 
Daar rijdt de tram weer naar de stad
Maar nu of hij geen haast meer had
De avond komt, maar 't is nog warm
Mijn vader drukt m’n moeders arm
En ik denk zo zou het moeten blijven
Zo met die zeewind in ons haar
Zo zondags en zo bij elkaar
Geluk door niemand te verdrijven
 
Op een balkon niet ver vandaan
Moet nog een schepje van me staan,
Zo gaat het over, al die dingen
Een vader met een wandelstok
Een moeder met een witte rok
De zomertram van Scheveningen
 
Ter nagedachtenis aan Michel van der Plas 23-10 1927 - 21-07-2013
Uit: Moeder, ik wil bij de revue – Nijgh en Van Ditmar 2006