Hij is zo zacht, zo aai- en knuffelbaar
Zo donzig lief, gewoon om op te vreten
Zijn snoetje met dat snoezig snuffelhaar

Welk onmens kan zo’n heerlijk wezen eten
Alleen een harteloze buffelaar
Gelukkig, ik heb niet zo’n plat geweten

Ik eet geen kerstkonijn, voor geen miljoen
Maar troost me met een vette homp kalkoen

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Epifanie

 

De opmaat van het verse jaar bespant
de grond met flinterdun wit vilt. De lucht
kneedt winterharde wolken, dicht beplant.
Een toverhazelaar pakt uit. Berucht

bericht van kale klauwen waar als vaan
een gele sjerp in hangt. Zo schel als goud
van ver. Van dichtbij zie je sterren staan,
van bloemblad, licht gekruld. Het hout blijft koud.

Kijk daar: drie spreeuwen hebben opgelet,
hun wijze kelen lachen om het fel
geluk dat plaatselijk is ingezet.

Een rijk begin op arm hout. Goed en wel
kwartier gemaakt, bewonderd, dan ontzet:
door wind van stam gejaagd – op hoog bevel.