Een vrouw telt meestal veel meer levensdagen
En schoner is beslist haar lichaamsbouw
Geen dame aan wie ik mijn nood kan klagen
Al helemaal niet aan mijn eigen vrouw

Geen dame aan wie ik mijn nood kan klagen
Die ik mijn leed om onrecht toevertrouw
Ik zal mijn lot kloekmoedig moeten dragen
Dat mij haast dwingt te grijpen naar het touw

Ik zal mijn lot kloekmoedig moeten dragen
Want anders krijg ik thuis een fikse douw
Geen dame aan wie ik mijn nood kan klagen
Al helemaal niet aan mijn eigen vrouw

Of u gelovig, heidens bent of ietsig
Het maakt niks uit, het man-zijn is maar nietsig


De eerste twee regels zijn afkomstig van het sonnet Voor de keuze, Driek van Wissen uit de bundelEen loopje met de tijd.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Utrechts sonnet 4



Rondom mij hangt de geur van vreemde kruiden
Vol weemoed denk ik weer aan hoe het was: 
De wereld scheen vol lichtere geluiden
En een soldaat sliep op zijn overjas

De wereld scheen vol lichtere geluiden
De zon glom op mijn helm en mijn kuras
We trokken zingend naar het verre zuiden
Met dreunende en eensgezinde pas

We trokken zingend naar het verre zuiden
Ik peins nu, rillend in het natte gras:
‘De wereld scheen vol lichtere geluiden
En een soldaat sliep op zijn overjas’

Een kogel fluit, ik druk mij in de grond
Wie reist ziet veel, maar het is niet gezond



(‘De wereld scheen vol lichtere geluiden

En een soldaat sliep op zijn overjas’ uit:
De laatste brief, Bertus Aafjes)