Er ligt een gedicht op de bovenste plank
Te hoog en nog niet voor het grijpen
Het hoort echt te kloppen qua metrum en klank
En moet dus nog eventjes rijpen

Het loopt hier en daar nog wat kreupel of mank
De dichter probeert het te slijpen
Opdat het niet klinkt zoals kattengejank
Wanneer ze die nachtelijk knijpen

De volgende dag is het eindelijk klaar
En dan mag de lezer het lezen
Al blijkt het qua inhoud niet moeilijk of zwaar
Het mag er wel degelijk wezen

Hoe light het ook is het zit knap in elkaar
Terecht wordt de maker geprezen



(Uit de nieuwe bundel Terwijl de tijd )


Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Speciaal voor de Gedichtenweek



De Nimmermerel


Mistroostig valt de avond
en sip verschijnt de maan;
ze moet nog veertien nachten
maar vindt er niks meer aan.

Een ijverige dichter
doolt peinzend door het park.
Soms struikelt hij over een schaduw,
soms trapt hij in een hark.

Soms staat hij stil en luistert
en proeft de atmosfeer…
Dan klinkt in ’t schemerduister
een droef gekwinkeleer.

Wie zingt daar in die pijnboom,
onwerelds mooi en triest?
De dichter pakt zijn zakdoek,
hij hikt, hij snikt, hij niest.

Wat ruist daar langs de takken,
wat druipt er in zijn nek?
Bijziend kijkt hij naar boven,
ziet slechts een vage vlek.

‘O maan! Jij doet me denken
aan mijn vriendin Aleid:
dat grillige, dat fletse,
die ongenaakbaarheid.

Ik stuurde haar sonnetten,
zij reageerde stug.
Zal ooit haar hart ontdooien,
zie ik haar ooit terug?’

Iets dwarrelt naar beneden,
het is een zwarte veer.
Iets ritselt in de boomtop
en fluistert: ‘Nimmermeer.’