God schiep in den beginne twintig poten aan de slang
Het lijkt wat ruim bemeten maar zo’n beest is aardig lang
Dat aantal bleek noodzakelijk om recht te kunnen staan
En tevens om van 't aardse slijk en modder vrij te gaan

Ook kreeg de slang als enig dier beheersing van de spraak
En wat -ie te vertellen had was af en toe goed raak
Iets minder dan De Jonge of collega Youp van ’t Hek
Toch kwam er slimme taal uit zijn gespleten slangenbek

Maar op een dag toen werd de slang een beetje eigenwijs
Hij smeerde Eef -De Appel- aan in ’t aardse Paradijs
De Heer ontstak in grote toorn, heeft hem de bek gesnoerd
En ook zijn poten afgehakt, dat vond-ie heel beroerd

Sindsdien sleept hij zijn buik door alle aardse gorenis
En van zijn spraak bleef niets dan slechts wat moedeloos gesis

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Dommelsch

Niets mooiers dan de zolders van de geest.
Je komt er lang vergeten beelden tegen.
Soms hebben ze er jarenlang gelegen.
Toch zijn ze nog zoals ze zijn geweest.

Ze klinken en ze geuren, ze bewegen.
Mijn eerste lief kwam door de tijd geracet,
het hoekje bij de kerk waar ik bedeesd
mijn meisje aan het zoenen heb gekregen.

Toen kwamen heden en verleden samen.
Ik zag ons hoekje in een bierreclame
En niet één keer, zoals je eerst nog hoopt.

Dat spotje deed het oude beeld snel slinken.
Nu denk ik bij die zoen alleen aan drinken.
Zo wordt een jeugdherinnering gesloopt.


 

Dit gedicht was bij de beste 8 van de autobiografische sonnettenwedstrijd.