Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



De haargroei van een man geeft wel te denken.
Bij zijn geboorte is-ie meestal glad,
da’s makkelijk voor in het babybad,
de kraamhulp kan hem zo geen haartje krenken.

Maar na een tijdje groeit er toch wel wat
op ’t schedeldak en brauwen om te wenken.
De oksels gaan rond dertien schaduw schenken
tot slot de baard dan heb je ’t wel gehad.

Na jaren komt tersluiks de ommekeer:
het hoofd vertoont als eerste dunne plekken.
Door kaalslag laat het kruis ook menig veer,
maar daar waar het niet moet, ontspruiten stekken.

~De neus en oren doen?~, vraagt de coiffeuse.
Behendig zoeft ze rond met haar tondeuse

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Sonnet voor Tichelaar



Het slobbert wat in iets te ruime pakken
zijn lichaam en de schepper van zijn kop
deed daar twee forse kaken onderop
zodat de zaak gewichtig lijkt te zakken

De poten, ongeschikt voor hoge hakken
gaan wonderlijk lichtvoetig in galop
op weg naar weer een politieke top
de biotoop van ware Dickerdacken

Maar liever drijft hij onbekommerd rond
en ligt hij als een idioot in bad
wat orendraaiend om zich heen te gluren

Hij wentelwiekt het staartje om zijn kont
en koestert het als heimelijke schat
dat hij dat ding op afstand kan besturen