Voorbij het land van Schorseneren
waar enkel maar de wind nog zucht
niet ver van de Slampampermeren
daar leven schepsels van de lucht
en in dat land van melk en honing
daar flierefluit de Fantenkoning

Wat valt er over hem te melden
hij houdt zich in het bos verschanst
en resideert in slaapbolvelden
alwaar hij louter lappen zwanst
en heel de dag de tijd verknoort
al heeft hij nooit van tijd gehoord

In bussels en langs waterkant
met niemendal in het verschiet
nut hij het niets, en dat constant
al pootjebadend in de vliet
de dagen dievend, en de nachten
met niks en noppes te verwachten

Van een ding weet hij wel van wanten
van duimendraaien wordt hij moe
de koning van het Land der Fanten
dus dekt hij zich met lummel toe
zijn muil gaat standje apegaap
voor een verdiende hazenslaap

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Grafsteen in O.

 

‘Voor immer blijft ge leven

in onze herinnering;

de geur is nagebleven

ook toen de bloem verging’-

 

Gestorven lelies rieken

maar onkruid dat vergaat

behoudt zijn balsemieke

parfum in blad of zaad

 

Wat was hij? Paars als longkruid,

bijvoorbeeld van de drank?

Welriekend kruid of onkruid?

Of stierf-ie lelieblank?

 

Zijn ziel kent rust noch vrede

sinds honderdvijftig jaar;

dat is al lang geleden –

het ruikt hier nergens naar.