Een breedbekkikker klaagt in Stroe:
Ik ben al dat gewauwel moe
Het is in onze soort een kwaal
Ze hebben het haast allemaal
Je hoort ze vaak in sloot of vijver
Lang leuteren met grote ijver
Wat dacht je van mijn ome Bob
Zijn slap gebabbel houdt nooit op
Of neem zijn vrouw, mijn tante Toos
Haar beuzelpraat duurt eindeloos
Nog erger is mijn nicht Agaath
Die ratelt door van vroeg tot laat
Hoewel, je kent mijn buurman Bram
Die blinkt weer uit in lang gezwam
En zelfs mijn ouders in de hemel
Verzandden vaak in saai gezemel
Zo'n woordenstroom in volle vaart
Dat zit helaas in onze aard
Op elke oever klinkt geklets
En dikwijls oeverloos gezwets
Daar is maar weinig aan te doen
Ik bof dat ik, zo sprak hij toen,
Er zelf gelukkig niet aan lijd
Die tergende breedsprakigheid

Copilot
