
In Groesbeek vroeg een teek zich af,
wat is de facto mijn komaf?
Hij boorde vele bronnen aan
en riep ten slotte zeer voldaan,
toen hij een stamreeks had bekeken:
“Mijn voorouders, dat zijn Azteken.”

Het einde komt met rasse schreden nader,
We scheren langs de randen van de zeis,
Heins holle ogen schieten vuur en ijs:
Hier helpt geen moederlief of onzevader.
Hoe zal ik gaan? Een breukje in een ader;
Een ruzie over godsdienstonderwijs;
Een liquidatie voor een bodemprijs
Bij confrontatie met een doodseskader?
Het hart klopt nog, mijn ogen zijn nog open,
Ik stel mijn laatste adem even uit
En denk dat ik vandaag nog niet crepeer.
’t Is niet de dood waarvoor ik weg wil lopen:
Het einde is een levenslang besluit
Maar waarom sterft een mens toch duizend keer?