Met zwoele lach en dito blik
Komt zij het bierhuis binnentreden.
Ze gaat zo schaars gekleed, dat ik
Met één oog slechts haar uit kan kleden.

Parmantig hangt ze aan de toog
En, al begint haar haar te grijzen,
Nog trekt zij een wellustig oog;
Je ziet de heren naar haar wijzen.

Nee, aandacht komt zij nooit te kort;
De mannen hangen aan haar lippen.
Zij zouden graag het glaasje port
Zijn waar ze soms van staat te nippen.

Maar altijd, stipt om kwart voor een,
Als `t volk steeds zatter wordt en woester,
Zwaait zij gedag en vliedt zij heen
Als een gehaaste assepoester.

En thuisgekomen trekt zij dan
Haar jas uit en haar restje kleren
En kruipt het bed in naast de man
Die haar niet kan (of wil) begeren.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Tweelinggedicht

Aanschouw een mens die nadenkt met zijn klieren

Kijk hem eens soepel door de bomen zwieren

’t Is Rambo! Zie die goedgespierde vormen!

Wie hem weerstaat is voedsel voor de wormen:

Daar schiet hij weer een medemens in vieren!

 

                         De Held is meest een lompe olifant

                         Verstoken van normaal gezond verstand

 

Hier staat Van Speyk, een held in hart en nieren

En daar het grauw met razen en met tieren

Het Vlaams gebroed komt woest zijn schip bestormen

Hij blijft getrouw aan Hollands wet en normen:

De vlam in ’t kruit en ’t zooitje naar de pieren!

 

                         Blijf uit zijn buurt: het is zijn heldenmoed

                         Die jou en vele massa’s sterven doet

 

 

Dit tweelinggedicht werd ingestuurd door Guus Suerbier, die meldt dat deze vorm bestaat uit twee coupletten van vijf regels in vrij metrum, maar met vrouwelijk rijm en het rijmschema aabba (2 maal) en twee rechtsgeplaatste distichons die commentaar leveren op de coupletten en tevens als zelfstandig moralistisch kwatrijn gelezen moeten kunnen worden, met het rijmschema aabb in mannelijk rijm.