Ik lig te woelen in mijn graf,
Maar kan de dood niet vatten.
Ik wacht het niet meer langer af,
En neem de kuierlatten.

Een zwoele nacht met volle maan,
Wel duizend sterren blinken.
Daar komt een oud-collega aan,
Ik kan zijn bloed wel drinken.

Het liefste drink ik maagdenbloed.
Maar dat is niet voorhanden.
Dus doe ik mij aan hem tegoed
En eet met lange tanden.

De hele nacht door heb ik trek
Ik moet mijn honger stillen.
Ik bijt een jogger in haar nek
Nog voordat ze kan gillen

Na drie verliefde stelletjes
Een rat en een bejaarde,
Vind ik het wel weer welletjes
En kruip ik in de aarde.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Homerische Vergelijking

Zoals een oude eik, door slagregens en gure
herfststormen ruw gegeseld en meedogenloos
beroofd van zijn dor loof, het zwaar krijgt te verduren -
zijn stramme stam buigt door, zijn wortels breken, broos;
 
hij steunt en kreunt gekweld, zijn kale takken schuren
langs zijn bemoste bast - zo bleef hij nog een poos
manhaftig zich verweren, de held, die van nature
een fiere dood boven een veile vlucht verkoos.
 
Mijn hemel, ik houd op, want dit duurt zo nog ureb -
een kolfje naar de hand van Biderdijk of Kloos!
Alexandrijnen hebben weliswaar allure,
maar lopen bij mij mank, of uit de maat, altoos.
 
Die versvoeten bijvijlen : voor een pedicure
zou het een godmijn zijn, maar ik blijf brodeloos.