Foto Henk Adema

In eigen tuin wil men geen buren zien,
dus wordt de schutting hoog gelijk een toren.
Wel is men zeer gespitst of men misschien
iets ruiken kan, of – liever nog – iets horen.

Een enkeling kan zijn nieuwsgierigheid
niet meer bedwingen, klimt naar ’t zolderraam, waar
hij heel soms in de hoogste zomertijd
een glimp opvangt van buurvrouws zonnend schaamhaar.

De reiger die zijn nek bespiedend buigt,
aanschouwt vanaf de nok het binnenleven.
De vrouw van nummer vijf wordt afgetuigd,
omdat zij slapen bleef op nummer zeven.

Het doet hem niets, want zijn verstilde ijver
geldt enkel gouden flitsen in de vijver.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Pinksteren



Haast dertig graden! Zon zuigt mij naar buiten
Vurrukkulluk dit zomerwarme weer
Natuur is in majeur aan ’t flierefluiten
En brengt me in een jubelende sfeer!

Mijn mond krult automatisch tot een lach
De rozen, sprongen die nu eensklaps open?
Ik neurie Op een mooie pinksterdag 
Op weg naar ’t park; ik ga een flink eind lopen

De jeugd joelt rond, ik mag er graag naar kijken
Zo mooi, zo glad en rimpelloos hun huid
Al weet ik dat je niet moet vergelijken:
De mijne ziet er wel héél anders uit

Een jonge blom in shorts geeft mij het spleen
Ik zucht: ach, had ik nog maar één zo’n been! 

Roemrucht in de televisiegeschiedenis is een live commentaar van Godfried Bomans. Hij werd in oktober 1963 benaderd voor de Edison-uitreiking van het Grand Gala du Disque. Een van de optredende artiesten was Marlene Dietrich. Bomans vertelde een anekdote die eindigde met het beroemd geworden citaat (van 'een heel oud mannetje' dat naast hem in de bioscoop zat): "Had mijn vrouw maar één zo’n been".