Van versvormen is hij de architect:
rondel, kwatrijn, onzijn, spicht, villanelle.
Zijn rijm en metrum zijn altijd perfect.

Ik leerde veel van hem. Zijn intellect
verdeed hij niet aan scriptie of novelle:
van versvormen is hij de architect. 

Hij blaast negentig kaarsjes uit: - respect!-
en wenst zich een Gazelle, liefst een snelle.
Zijn rijm en metrum zijn altijd perfect.



Spitsvondig is hij, hoffelijk, correct,
citeert van Paaltjes elke immortelle.
Van versvormen is híj de architect.

Aristocratisch en steeds opgewekt
blijft hij wellevend, heeft niet van dat felle.
Ook rijm en metrum zijn altijd perfect.

Light-versedichters worden nooit afgebekt:
hij helpt ze juist met ritme en met spelle.
Van versvormen is hij de architect,
zijn rijm en metrum zijn altijd perfect.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Kort sprookje

800px Sprookjes van Bechtstein t Dwergenmutsje Freddie Langeler
Bron: Wikimedia Commons
 
Er waren twee kabouters,
ze heetten Ruw en Bot.
Ze maakten altijd ruzie
en daarbij ook veel kapot.
Ze trapten tegen bomen aan
en scholden vogeltjes verrot.
Zo doolden ze maar door het woud,
dreven met iedereen de spot.
Ze kwamen bij een kleine hut
met een bordje: ‘Hier woont God’.
Een man met baard stond voor de deur
en Bot riep: ‘Ha, een ouwe zot’.
Ruw gaf de oude man een duw …
nu volgt een wending van het plot.
Met zachte hand greep God toen in,
de ventjes werden Lief en Lot.
Het zijn nu vriendelijke elfjes,
hun mondjes zitten wel op slot.