De Kelten zullen ondertussen wel verteerd zijn, dus kunnen we verder met onze reis.
Hiervoor steken we over naar Noord Europa, met een korte tussenstop op IJsland om even bij te komen met iets makkelijks.
Bovendien is het altijd leuk woorden te lezen die bestaan uit een heleboel letters achter elkaar die niets met elkaar te maken hebben.
IJsland dus. Daar gaan we:

Fornyrðislag
Dit metrum, met málaháttr, is de meestvoorkomende in de oude Germaanse, Anglo-Saksische en Noors-IJslandse poëzie. Het oorspronkelijk Germaanse metrum volgde niet strikt de lettergrepen - in principe 4 - maar had afwijkende voorschriften die nog steeds  gebruikelijk zijn in IJsland, met nogal wat afwijkingen door veranderingen in de uitspraak in de loop der tijd.
De fornyrðislag is bekend vanaf 700  in Engeland:  Beowulf is een voorbeeld.
Het wordt ook aangetroffen in Duitse poëzie vanaf de 8e eeuw en in Zweedse runen van de 9e eeuw.
Eerst niet zo strikt, maar in latere poëzie strenger gehandhaafd, werd het voorschrift dat iedere strofe uit acht regels moest bestaan (In Duitse en Engelse poëzie vier).
Een voorbeeld van Völuspá:

 

Hljóðs bið ek allar

Stilte vraag ik van u allen,

helgar kindir

heilig nageslacht,

meiri ok minni

grote of geringe

mögu Heimdallar

zonen van Heimdallr.

Vildu at ek Valföðr

Wilt u, Valföðr (Odin), dat ik

vel fyr telja

helder verhaal

forn spjöll fira

aan stervelingen, de oude verhalen,

þau fremst um man?

herinneringen aan de oertijd?

 

 

Je ziet dat twee regels paren vormen door alliteratie en dat de regels uit vier lettergrepen bestaan.
(Goed, dat laatste zie je niet, door die veranderende  uitspraak en er wordt vaak van afgeweken):

Vildu at ek Valföðr
Vel fyr telja 

 

Dat is de basisvan het metrum: twee alliteraties in regel a en één in b.
Hoewel soms ook maar één in a:

Hljóðs bið ek allar
helgar kindir
 


Maar in de b-regel moet wel een tweede beklemtoonde lettergreep voorkomen, evenals in de eerste, meestal de allitererende. 

Málaháttr
Een voorbeeld van málaháttr uit Snorri’s Edda, gedicht nr. 95: 

Munda ek mildingi
þá er Mæra hilmi
flutta-k fjögur kvæði
fimtán stórgjafar
Hvar víti áðr orta
með æðra hætti
mærð of menglötuð
maðr und himins skautum?

 

("Toen ik vier gedichten  schreef voor de koning van Noorwegen, gaf hij vijftien enorme geschenken.  Waar ter wereld schreef een andere dichter zulk een verheven lofdicht op een koning?")

Dat valt mee; málaháttr is eigenlijk practisch hetzelfde als fornyrðislag, maar minder strikt: het aantal lettergrepen is vijf en soms wel zes, zoals in dit adembenemende ding van Atlakviða: 

Atli sendi
ár til Gunnars
kunnan segg at ríða
Knéfröðr var sá heitinn


("Atli zond een wijs man  naar Gunnar die daar aangereden kwam: zijn naam was Knéfröðr")
Zou dat die Kniesoor zijn waar je wel eens van hoort? 

Fornyrðislag is in zwang sinds de komst van de eerste immigranten in IJsland in 870 en  wordt
veel gebruikt voor verhalende gedichten. Epiek heet dat.
In deze vorm werd ook poëzie vertaald van bijvoorbeeld Alexander Pope, F. Klopstock's 'Messiah', J. Milton's 'Paradise lost' enzovoort. Ook nu is het nog populair.

Kviðuháttr
De versvorm kviðuháttr stamt van de fornyrðislag maar heeft een iets hechtere structuur.
Het bestaat uit 8 regels, maar de regels 1,3,5 en 7 bestaan uit drie slechts lettergrepen.
Een voorbeeld is 'Kviðuháttr Sonatorrek' (De harde wraak van de zoon) van Egill Skallagrímsson: 
 

Mjök hefr Rán

De zee heeft mij beroofd

Ryskt um mik

Van een schat

Emk ofsnauðr at

 Ik ben arm aan

Ástvinum

Geliefden

Sleit mar bönd

De oceaan bond mij

Minnar ættar

Mijn voorgeslacht

Snar þátt af

Snoert mij vast

Sjálfum mér

Aan mijn bestaan.

 Volgende week verder. Ik verwacht op deze boeiende uiteenzetting weinig inzendingen.

 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Baan van je leven

Half negen, meldt de bel in het lokaal,
het tijdstip dat de les moet gaan beginnen.
De halve klas is echter nog niet binnen,
maar op een maandag is dat heel normaal.

Voorlopig overheerst het groepsgewoel,
terwijl er soms nog een komt binnenvallen
die enthousiast verwelkomd wordt door allen.
Na een kwartier zit ieder op zijn stoel.

De helft hangt doelbewust achterstevoren,
want voor een puberende knul of meid
is de docent geen topprioriteit,
vooral niet als hij wil gaan overhoren.

Babet en Kelly hebben een conflict.
Ook is er wat geroezemoes rond Esther,
die net ontmaskerd is als cyberpester.
Kim krijgt een klap, want die heeft haar verklikt.

Probleemjeugd is aanwezig bij de vleet:
twee blowers, drie autisten, vier aspergers,
vijf ongediagnosticeerde tergers
en Rita Lynn, die flink ADHDeet.

Met schoolwerk wordt de klas zwaar overvraagd:
Chantal dreigt door de werklast te bezwijken
als vakkenvuller met twee krantenwijken.
Haar vader heeft de school al aangeklaagd.

Geruzie thuis bij Willemijn en Bas;
ook zijn er huiswerkvrijvergunninghouders:
drie kinderen met briefjes van hun ouders:
stress, anorexia, obesitas.

Opeens verschijnen tranen van verdriet,
eerst bij Dolores, daarna bij Mercedes:
die ouderwetse shit van Archimedes:
drie keer behandeld, maar ze snappen ’t niet.

Waarna de hele meute reageert:
of hij de stof nog eenmaal uit wil leggen.
Dat kan hij hen natuurlijk niet ontzeggen,
waarna de klas spontaan applaudisseert.

De uren, dagen, weken vliegen heen.
Maar wat er ook gebeurt, hij blijft blijmoedig,
al gaat het met de stof niet echt voorspoedig:
pas na twee maanden klaar met hoofdstuk een.

Is de ultieme challenge uw parool?
Er zijn nog vacatures bij de school.