Mijn bladerloze schaduw mijdt het water
En speurt de witte angst van eeuwen later

Ik wend mij af en doof mijn vale lichten
Ik heb een rein geweten zonder plichten

Mijn weemoed maakt de koele vlinder wakker
Van mij, getooide zelf, een dorre akker

Ik zie mijn grijze droefheid aan de kim
Die daar zo heilloos zit, o naakte schim

Aan wie'k mijn zachte treurnis zeg, in stromen
Als dauw die druppelt van de trage bomen

Zo druppelt in dit hart tezeer gehavend
Een droeve snik die glinstert in de avond

O, zie, hoe klaar en koel mijn schamelheid
In 't land van regen tot een bad bereid


Voor wie nu wezenloos voor zich uitstaart, klik hier voor een volledig begrip.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Schilderij (Pi-sonnet)



Zijn moeder vroeg, als Jan naar zolder rende,
of hij de schuilplaats van de Rembrandt kende.
Na zestig jaar vond hij het ding alsnog.

Waar had dat doek nou al die tijd gelegen?

Hoe was het mogelijk! Er school dus toch
een kern van waarheid in de huislegende.
Geen Rembrandt trof hij aan in moeders bende,
maar dit was zonder twijfel een Van Gogh.

Wat kwam dat doek na al die tijd gelegen!

Soms heb je dat, dan zit het jaren tegen,
in werk en vrije tijd, in liefde en spel.
Zijn fladderleven werd nu meer gedegen.
De prijs van kunst was torenhoog gestegen
en dus ging hij verkopen en wel snel.


(Dit is mijn jaarlijkse pi-sonnet, omdat het vandaag pi-dag i
s.)