Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

‘Mijn zus mag me graag plagen: ‘Zeg, wanneer word ik nou tante?’
De stilte die dan volgt geeft van een berg van twijfels blijk
Want ik wil kinderen tot ik een blik werp in de kranten
De wereld lijkt ons tegenwoordig liever kwijt dan rijk

Klimaatproblemen, oorlog, aids, dit is de hel van Dante
Dat Deense schijnakkoord zet ook geen zoden aan de de dijk
Moet ik het aards toneel voorzien van nieuwe figuranten?
Een kind is leuk in theorie maar jankt in de praktijk

Dus tja, ik loop niet graag in zeven sloten tegelijk
Zo’n levensvraag moet eerst worden belicht van alle kanten
Ik concludeer kordaat wanneer ik in de spiegel kijk:
Het is gewoon te zonde om mezelf niet voort te planten

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Speciaal voor de Gedichtenweek



De Nimmermerel


Mistroostig valt de avond
en sip verschijnt de maan;
ze moet nog veertien nachten
maar vindt er niks meer aan.

Een ijverige dichter
doolt peinzend door het park.
Soms struikelt hij over een schaduw,
soms trapt hij in een hark.

Soms staat hij stil en luistert
en proeft de atmosfeer…
Dan klinkt in ’t schemerduister
een droef gekwinkeleer.

Wie zingt daar in die pijnboom,
onwerelds mooi en triest?
De dichter pakt zijn zakdoek,
hij hikt, hij snikt, hij niest.

Wat ruist daar langs de takken,
wat druipt er in zijn nek?
Bijziend kijkt hij naar boven,
ziet slechts een vage vlek.

‘O maan! Jij doet me denken
aan mijn vriendin Aleid:
dat grillige, dat fletse,
die ongenaakbaarheid.

Ik stuurde haar sonnetten,
zij reageerde stug.
Zal ooit haar hart ontdooien,
zie ik haar ooit terug?’

Iets dwarrelt naar beneden,
het is een zwarte veer.
Iets ritselt in de boomtop
en fluistert: ‘Nimmermeer.’