De buurvrouw at haar dochter als ontbijt Als lunch heeft zij haar echtgenoot bereid Daarna ging zij haar jongste zoon frituren Ik ben verhuisd, want ‘s avonds
Hij wreef erover met zijn rechterhand en startte ondertussen al met wensen: hij wilde rijker zijn dan alle mensen, omringd door niets dan goud en diamant.
Toch kreeg hij slechts een tientje, wat een sof dat Aladdin nu net een spaarlamp trof…
M'n An was na wat zoeken een kamertje gaan boeken, maar wil nu plots kamperen en vraagt me dus spontaan: hoe krijg ik 't ongedaan? Dit wil ik An nu leren.
Een jochie riep tot kleine Wil die op het schoolplein zat 'Wie heet er nou Alberti, wat een stomme naam is dat!' Wil stak de blaag in brand en had een grimas op zijn snuit De glimlach van een kind zag er nog nooit zo duivels uit
De redactie feliciteert Maarten met zijn winnende afbakvers. In de 77e editie was de opdracht het schrijven van een Little Willie. Op de pagina Versvormen vind je de volgende definitie: De Little Willie, populair in Angelsaksiche landen, is een in principe vierregelig versje. [...] Er wordt gewoonlijk een gruwelijke handeling in verricht door een gruwelijk kind, verteld op luchthartige toon, waar dan door omstanders laconiek of hooguit licht geïrriteerd op wordt gereageerd.
Een zilverrug verzucht te Heeten 'Zal men het dit jaar weer vergeten? Zelfs op Gorilladag geen feestje Ik blijk een onbeduidend beestje Tenzij je vecht met een Godzilla Dan ben je King, een topgorilla'
Gratis e-book Inge Boulonois t.g.v. haar geboortedag
Op 3 december 2024 overleed Inge Boulonois.
Kort voor haar overlijden kreeg ik op messsenger een berichtje van haar waarin zij me vroeg of we even via de telefoon konden spreken.
In dat gesprek vertelde ze dat ze ongeneeslijk ziek was en dat zij nog maar kort te leven had. Enkele zaken m.b.t. de voortgang op het Het vrije vers passeerden eveneens de revue. Zij vroeg mij of zij een PDF-document met een aantal gedichten van haar bij mij veilig kon stellen, om die later als E-book op Het vrije vers te zetten.
Het telefoongesprek werd abrupt onderbroken vanwege de deurbel en het bezoek van haar dochter.
Een dag later stuurde zij mij het beloofde PDF-document en verontschuldigde zij zich (volkomen onnodig natuurlijk) voor het feit dat zij ons telefoongesprek zo plotseling moest afbreken.
Het bericht van haar overlijden enkele dagen daarna kwam voor mij en voor velen met mij als een grote schok.
Het PDF-document met die gedichten waarvan dus een e-book diende te worden gemaakt bleef vervolgens door diverse oorzaken een tijdje liggen en ook het uiteindelijke klaarzetten als e-book bracht de nodige haken en ogen met zich mee. Uiteindelijk besloot de redactie te wachten met het publiceren totdat zich een geschikt moment zou aandienen.
En vandaag is dan dat moment aangebroken. Het stilstaan bij de geboortedag van Inge. Ze zou vandaag bij leven en welzijn exact 80 jaar zijn geworden.
Remko Koplamp
Uit het E-book hieronder het vers voor vandaag van Inge.
Een z.g. bout rimé. Een gedicht dat uitgaat van reeds bestaande rijmwoorden. In dit geval zijn het de rijmende woorden uit ‘De Dapperstraat’ van J.C. Bloem.
Aardappel
Die knol is voor tevredenen of legen!
Is er banaler voedsel in ons land?
Wie heeft die kost nou nooit op bord gekregen?
De meesten zijn die smaak allang ontstegen
Berichtte onlangs zelfs een ochtendkrant
De nasmaak lijkt vooral op kleiïg zand
Qua koolhydraten is het ook geen zegen
Er is zoveel gezonders onderhand
En tegen dikmakers zijn wij gekant
Dus ja, er is op aardappels véél tegen
Dit overdacht ik, lopend door mijn stad,
Domweg bezweken voor een zak patat
En via deze link – klink & klaar – is vervolgens voor een ieder het gratis e-book te lezen.
Geen trauma's van vroeger om vrij uit te putten Geen proppen papier door de kamer verspreid Geen wijnflessen slingerend op het tapijt Ik hoefde mijn duim nu eens niet te benutten
Niet urenlang frummelen, fronsen en frutten Niet zweten, niet zwoegen, geen eenzame strijd Ik heb niet gevast noch mezelf gekastijd Ik maakte niks mee om dit vers mee te stutten
Geen heilloos karwei met frustraties erbij Geen dagdromerij in een hut op de hei Ik tuurde niet stuurs naar het hemelgewelf
Hoe is dit ontstaan? Welke weg moest ik gaan? Waar kwamen spontaan al die woorden vandaan? Ach, soms zit het mee, dit sonnet schreef zichzelf
Een houtworm vroeg zijn pa te Petten: “Wanneer mag ik mijn klomp weer zetten? Ik hoop op heerlijke cadeautjes Als harsepein en peperschrootjes Maar vader sprak tot zoon: “Helaas, Het is nog lang geen Splinterklaas”
Vanmorgen werd ik wakker en ik voelde mij wat vreemd Er was ineens iets geks, ik kreeg mijn vinger er niet achter 't Was moeilijk te omschrijven, want ik leek wel wat ontheemd Zo anders was het, ongewoon: ik voelde me wat zachter
Mijn vrouw vroeg ook al bij 't ontbijt: wat is er aan de hand? Waarom help jij opeens mee met het pakken van de borden? Waarom smeer jij je eigen brood, dat mag wel in de krant Je bent toch niet vannacht in één keer mild of zo geworden?
Ik weet het niet, zei ik, ik voel me plotseling wat raar Vannacht kon ik niet slapen en je weet: dat heb ik zelden Ik piekerde en piekerde, mijn hoofd werd vol en zwaar Ik dacht zo bij mezelf: ik moest eens stoppen met dat schelden
Ik dacht dat het wel goed zou zijn om jou eens te verwennen En om je te bedanken voor wat jij steeds voor mij doet Ik weet dat ik een zak geweest ben, zal ik je bekennen Hoe ik daar nou zo bij kom, weet ik eigenlijk niet goed
Ik heb me voorgenomen om voor Jansen van hierboven Wat aardiger te zijn, want ja, die man heeft het wel zwaar Ik zal niet meer zo mopperen, dat zal ik hem beloven Waarom ik dat nou weer verzin, ik vind het wonderbaar
Ik zal ook niet meer zeuren over al die Islamieten En over homo's zal ik voortaan ook wat stiller zijn Ik zal ook niet meer fluiten naar de schaars geklede grieten En zal me goed gedragen tegen Jood en Palestijn
Ik weet niet hoe ik nou opeens zachtaardig ben gaan denken Of zou het komen door al dat gehannes in Den Haag? De politiek zit ook alleen maar rattengif te schenken Ik denk dat ik dat simpelweg niet meer zo goed verdraag
Echt alles is veranderd sinds we nieuwe buren kregen Onmiddellijk na het passeren van het koopcontract Verbouwden ze, vooral de tuin werd grondig aangepakt Er kwamen tegels waar een mossig grasveld had gelegen De snoeischaar ging met woeste halen door de blauweregen Ze rustten niet voordat de perenboom was omgehakt Echt alles is veranderd
Die oude, wilde tuin is elke vorm van groen ontstegen Een grijparm heeft een lading tuinhout op de stoep gekwakt En toen het bouwwerk stond, werd alles stemmig zwart gelakt Natuurlijk mocht ik kijken, maar het viel me nogal tegen: Echt alles is veranda
Vermoeid vlij ik mij neder op een zachte alpenwei Ik voel mijn lijf bedaren en verzink in dromerij Een wijfjesrund treedt nader en zij fluistert in mijn oor: ‘Och heer neem nog een wijle rust, dra zingt het schaapjeskoor’
Het alpenblauwtje op de bok heeft zonneklaar gezag Zij dirigeert het bergorkest met klare vleugelslag Daar hoor ik nu warempel een duet van ram en ooi Wat zijn die beide zoetgevooisd, mijn god wat is dat mooi
Het fluiten van de bergmarmot klinkt wonderbaarlijk schoon De gems zeult met de alpenhoorn maar produceert geen toon Dan galmt het koene krassen van de jonge alpenkauw De steenbok slaat de koebel maar hij neemt het niet zo nauw
De dijenkletser van de lynx komt niet goed tot zijn recht De moeflon jodelt ook een lied en doet dat lang niet slecht De alpensalamander zwiept zijn staart wat heen en weer Hoe anders dan de edelweiss, haar kop deint op en neer
Dan stopt ineens de zang en dans en zwijgt elk instrument Er staat iets te gebeuren en ik kom wat overend De dieren kijken vol verwachting naar het rotsplateau Daar treden jonge schapen aan, een wemelwit tableau
Het Lucia di Lammerkoor is wijd en zijd bekend Hun a capellarepertoire geldt thans als jongste trend Vooral het Agnus Dei wordt zo prachtig uitgevoerd Die wonderschone samenzang laat niemand onberoerd
Ook ik moet even slikken en ik luister ademloos De koorzang is betoverend, zo zuiver en zo broos In al mijn levensdagen viel mij nooit zoiets ten deel Dat ik dit toch ervaren mag, dit sprookjestafereel
Een hoef stoot mij heel zachtjes aan: ‘Meneer, het is voorbij’ Onwillig maak ik mij nu los uit deze ‘sans pareil’ Ik strik mijn veters maar weer vast en gord mijn rugzak om En trek – veel rijker – verder naar een nieuwe alpenkom
Een mopshond uit het dorpje Vlijmen blijkt zó briljant te kunnen rijmen en dierenverzen te creëren, dat kenners stuk voor stuk beweren dat Stip in beesten voortbestaat en dat het om een Fopshond gaat.
De redactie feliciteert de finalisten van Lichtvoetig IX: Koos Dijksterhuis, Paterswolde Han Marinus, Wassenaar Christian Goijaarts, Dorst Maarten van Petersen, Amstelveen Peter de Liefde, Papendrecht René Turk, Kleve Bennie Sieverink, Hengelo Rikkert Zuiderveld, Vledderveen
Een Vlaamse vos (nochtans geen vrome) vertrok op bedevaart naar Rome; nog even heeft hij omgekeken. "Als vos verlies ik nooit mijn streken, toch steekt het dat," zo sprak hij triest, "mijn streek nu wel zijn vos verliest."
Sonnettenkrans van een lightversefundamentalist (in 6 uur full time )
I ‘Wat ben ik knap!’zo liet ons Pfeijffer weten Hij had zich in de verstechniek bekwaamd En gaf de wereld daarna onbeschaamd Zijn half gelukt probeerseltje te vreten
Want wat dus een sonnettenkrans moest heten Was slordig, ruw, onaf, niet afgebraamd Een domper na wat er was uitgekraamd In ‘t holle galmen van zijn Tarzankreten
De makers van het rammelend refrein: Zij putten hoop uit al die loze woorden En denken dat zij dus óók Dichters zijn
Er dwaalt slechts één gedachte door hun brein Terwijl zij onze taal verheugd vermoorden: ‘Mijn woorden klinken zoet als marsepein’
II
‘Mijn woorden klinken zoet als marsepein’ Maar marsepein, zo kan ik u vertellen Zal spoedig al uw tandglazuur gaan kwellen En maakt een treurig eind aan het festijn
Het kunstgebit dat volgt, zal ook gaan knellen En daarna komt u op het werkterrein Van - naar ik hoop - een kundig chirurgijn Die u door nood gedwongen op moest bellen
Maar ik dwaal af, al is dat wellicht fijn Voor wie de dichtkunst niet zoveel kan schelen: Die smaalt op Vondel, Hooft of een Boleyn
De smachters bij het vormloze kwatrijn Die zich bij een Gerbrandy niet vervelen Ik vroeg me af: zou dat nu écht zo zijn?
III
Ik vroeg me af, zou dat nu echt zo zijn? Die poëzie bestaat slechts bij de gratie Van woorden met een sterke evocatie Als bad en bed en brood, en brood en wijn
Helaas is dit het kenmerk van de natie: Het volk bezit qua hersens slechts een grein En volgt wie gaat gekleed in hermelijn *)
En zelfs volgt men wie naakt gaat, maar laat weten: ‘Mijn kleding? Zie! Brokaat; fluweel; satijn!’ Dan buigen de plebejers en proleten
Wie zich zo’n kledingstuk heeft aangemeten Krijgt altijd slaafse volgers, groot en klein Ach, keizerskleren raken nooit versleten
IV
Ach, keizerskleren raken nooit versleten Want humbug krijgt altijd de eerste prijs En in ivoren torens wordt waanwijs Een diarree van woorden uitgescheten
Huub Oosterhuis mag zich zeer welkom weten In kerk en kroeg en zelfs in het paleis Hij wordt gevoed met koninklijke spijs Door vroom gepeupel vleiend nagezeten
Wie in dit land zijn taal beschaafd verfijnt Die wordt dat tot zijn dood toe nagedragen Het wordt naar alle hoeken doorgeseind
Opdat zijn werk maar niet in druk verschijnt Alleen de holle vaten mogen slagen Nooit komt er in dit land hieraan een eind
V
Nooit komt er in dit land hieraan een eind: Aan zwetsers die in hoekjes samenspannen Waar zij alweer een Nieuwe Stroming plannen Waardoor wat ‘oud’ en ‘slecht’ is dan verdwijnt
Vernieuwd, Modern, zo noemen zich die mannen Traditie dient vernield en ondermijnd Zodat hun ikje ook eens flauwtjes schijnt En taalgevoel en schoonheid wordt verbannen
Er is een land van zieners en profeten O lezeres, maar dat is ver van hier Hier heersen slechts de pseudo-alfabeten
De Dichters met gelaten, grauwgesleten Zij vinden enkel vreugde en plezier Aan het gebakkenluchtgebakjes eten
VI
Aan het gebakkenluchtgebakjes eten Vindt hier de Dichter voedsel voor zijn geest Hij geselt onze streken als tempeest Van meer verfijnde zielen en estheten
Steeds luider klinkt het brullen van dit Beest Zodat de lezer doof wordt voor het weten En alle oude kennis blijkt vergeten Die er van prosodie ooit is geweest
Ik heb mij nu van deze taak gekweten En spijker u bij deze even bij: De dichtkunst? Dat is passen en is meten
‘Stop’, wordt door mij u stevig toegebeten ‘Met lezen van wat woordjes op een rij En het voor zoete koek die kletskoek vreten’
VII
En het voor zoete koek die kletskoek vreten Moet uit zijn, lees eens over prosodie! Bemin het metrum, ritme, bellettrie! Heb lief die vormen, zij zijn niet versleten!
De versvorm is een degelijk chassis Al eeuwen lang in zwang bij de poëten Voor elk gevoel, op alle lengtebreedten Geschikt voor scheldpartij en voor esprit
Ballade en rondeel, spicht en onzijn: Zij zullen u naar hoger honing stuwen Dat geldt ook voor het Perzische kwatrijn
Pentameter, trochee, alexandrijn: Ik zal ze door uw domme strotten duwen Voordat ik grimmig in mijn graf verdwijn!
VIII
Voordat ik grimmig in mijn graf verdwijn Zal ik die kennis in uw breinen prenten En dwingend met die oude vormen venten En wegdoen, al die uiterlijke schijn
Verhef u dus maar van uw luie krenten Ik schenk u (ja, figuurlijk) klare wijn Ik roep toch niet voor niets in de woestijn? Dus grijp de pen, leergierige scribenten
Of blijft u liever toch maar vaagjes zweven Bij leuterkoek en woordaanstellerij Bevreesd om van de kudde afgedreven…
Waar is die VOC-geest toch gebleven? Waar blijft die fiere schare, frank en vrij? O, dat ik dat nog meemaak in mijn leven!
IX
O, dat ik dat nog mee maak in mijn leven: Leergierigheid, zodat men niet meer valt Voor wat een Pfeijffer door zijn knevel bralt Aan wiens sonnetten vele fouten kleven
De kennersblik is heden zeer versmald Geen criticus heeft in de krant geschreven Dat Pfeijffer vele zonden heeft misdreven En met rijk rijm zijn werkstuk heeft verknald.
Dus kom; grijp naar de pen of ganzeveer En plemp in fraaie, sierlijke refreinen Uw zieleroersels op A-viertjes neer
Ga als een gek met de techniek tekeer! Dit zie ik voor mijn geestesoog verschijnen: Gedichten van een dame of een heer
X
Gedichten van een dame of een heer Tot aan de strot gevuld met schrijftalenten Geen Favereys of metrum-impotenten Maar kenners van het rijmend veld van eer
Elisie-vrij en geen enjambementen! Streng calvinistisch, zuiver in de leer Voortdurend met Jaap Bakker in de weer En metrumproevers, lettend op accenten
Hoe zinloos is normaal een mensenleven Dus máák een zin en vul uw leven in Verrijk de wereld met uw regelgeven
En als die zinnen dan gaan samenkleven Dan ziet u vele zinnen, zin na zin Die enkel maar naar het volmaakte streven
XI
Die enkel maar naar het volmaakte streven Die keren zich vol liefde tot de taal En hebben weinig zin in het kabaal Dat Pfeijffer maakt; hij maakt wel érg veel leven
Want hij bezit nog niet het arsenaal Aan vakkunst waarmee verskunst is doorweven En liever dan dat eerlijk toe te geven Verhult hij dat net iéts te theatraal
Wie gaat nog bij een Meester in de leer? Wie wil nog in diens diepe voren ploegen? De leerling zwijgt en brengt hem jaren eer
Hij toont vol vrees zijn werkstuk aan zijn heer Zijn meesterwerk, product van jaren zwoegen Volmaakt van taal, techniek en ook van sfeer
XII
Volmaakt van taal, techniek en ook van sfeer Dat lukt pas na veel zweten en veel schrappen Maar oefening baart kunst, zo zult u snappen Want ook een wagenwiel draait slechts met smeer
(Let op, hier volgt een duidelijke sneer) Je zult zo’n Pfeijffer daar niet op betrappen Die vindt zich al een meester kletskoekhappen Ook als hij mis hapt bij de eerste keer
Afijn, ik heb nu wel genoeg geschreven Het einde komt nu eindelijk in zicht ’t Zou sneu zijn voor de eindmeet hier te sneven
Maar dit is hoop ik toch wel bijgebleven: Schrijf technisch vaardig, hoe of u ook dicht Laagbijdegronds, diepzinnig of verheven
XIII
Laagbijdegronds, diepzinnig of verheven: Maar nooit verwrongen of gekunsteld dus Taalvaardigheid is hierbij steeds een plus Wanneer er weer eens laat wordt opgebleven
Al sinds de dagen van Egidius Bracht metrum onze verskunst steeds tot leven De boer verleidde in zijn groene dreven De meiden met een wulpse dactylus
Ooit heerste hier de ware dichtersfeer Het wemelde hier van de rederijkers En vrouwen vielen voor hun voeten neer
Hun hartstocht leidde tot geslachtsverkeer En straalde uit hun merenblauwe kijkers… Maar ach, ik zwijg, zoiets komt nimmermeer
XIV
Maar ach, ik zwijg, zoiets komt nimmermeer De dichtkunst is, zo lijkt het, lang verloren Er klinkt gepiep uit een ivoren toren Men is alleen met ego’s in de weer
Ik zal me hier niet langer meer aan storen En hoop niet langer op een ommekeer Dus staak ik nu maar mijn gelamenteer Want zeg nou zelf, wie wil de waarheid horen?
‘Komaan, vooruit, eerst maar een hapje eten Er staat nog wat Louisiana stew’ Zo mompel ik, maar ach, het klinkt verbeten
Ik poog vergeefs de zaak maar te vergeten Mijn oog valt steeds weer op dat interview ‘Wat ben ik knap!’zo liet ons Pfeijffer weten
XV
‘Wat ben ik knap!’ zo liet ons Pfeijffer weten ‘Mijn woorden klinken zoet als marsepein’ Ik vroeg me af: zou dat nu echt zo zijn? Ach, keizerskleren raken nooit versleten
Nooit komt er in dit land hieraan een eind: Aan het gebakkenluchtgebakjes eten En het voor zoetekoek die kletskoek vreten Voordat ik grimmig in mijn graf verdwijn
O, dat ik dit nog meemaak in mijn leven: Gedichten van een dame of een heer Die enkel maar naar het volmaakte streven:
Volmaakt van taal, techniek en ook van sfeer: Laagbijdegronds, diepzinnig of verheven Maar ach, ik zwijg, zoiets komt nimmermeer...
*) Hier kwam ik rijm te kort, vandaar die spatie
Voor wie nu verheugd opmerkt dat in het laatste sonnet een ernstige rijmfout zit: omdat zo’n sonnettenkrans wel erg makkelijk is heb ik voor het slotsonnet een bout rimé gemaakt. Dat betekent dat ik de rijmwoorden van een slotsonnet uit een andere sonnettenkrans genomen heb met als extra uitdaging daarmee een coherent verhaal tot stand te brengen dat als uitgangspunt diende voor het geheel. Een bout rimé is een bout rimé, dus de fout bleef. En die komt dus helemaal voor rekening van Bas Jongenelen. Ga je schamen Bas.
Uiteraard heb ik me er niet zo makkelijk van afgemaakt als Ilja: een beetje sonnettenschrijver hanteert een consequent rijmschema met twee rijmklanken in het octaaf, geen vier zoals Ilja, dan is het helemaal geen kunst. In dit geval abba baab cde cde, waarvan ik enkel afweek als de slotsonnetregel hiertoe dwong en ik dan een rijmklank minder gebruikte, wat Ilja wel buitengewoon geniaal moet vinden. En uiteraard dient elk sonnet een volta te bevatten. Voor wie zich afvraagt wie Jaap Bakker is; hij is de maker van het enige goede rijmwoordenboek in onze taal.